Familie van Rooy

De familie Van Rooy in Zuid-Afrika

Uit die boek Huisseling van verleden tot heden wat in 2012 gepubliseer is

Inleiding

Dit verhaal gaat over de geboren Huisselinger Johannes Cornelis van Rooij (van Rooy), die in 1857 met zijn gezin naar Zuid-Afrika emigreerde. Hij werd de stamvader van een uitgebreid Zuid-Afrikaans geslacht VAN ROOY. De eerste Van Rooij van deze familie kwam in 1772 naar Huisseling en de laatste overleed aldaar in 1885. Een van de nazaten, Jan van Rooy, ontdekte in 2008 op de webpagina van Heemkundekring Land van Ravenstein dat er een boek over Huisseling uit zou komen en nam contact op. Hij wees ons op de ‘van Rooy webwerf’, waaruit, met aanvullend eigen onderzoek, het volgende verhaal is samengesteld.

Johannes van Rooy
Johannes Cornelis van Rooy

De Huisselingse periode

Johannes Cornelis van Rooij werd op 2 november 1824 te Huisseling geboren als jongste kind van Hendrik van Rooij en Clara Kuijpers uit Overlangel. Hij had één broer en vijf zussen. Kort na zijn geboorte is het gezin naar Overlangel verhuisd, waar zijn vader in 1827 overleed toen Johannes nog maar drie jaar oud was. Van Huisseling zal hij daarom niet zoveel meegekregen hebben. Zijn broer Machiel verhuisde al vlug weer naar Huisseling, waar hij boerenknecht werd bij Jan Smits. Na zijn huwelijk in 1838 heeft hij ongeveer tien jaar in Herpen gewoond en is daarna in Huisseling gaan boeren aan het Heuveleind. In 1857 is hij met zijn gezin in het ouderlijk huis in Overlangel gaan wonen. Bij dit huis lag een klein lapje grond. Machiel is dan arbeider van beroep. Zijn zusters Maria Elisabeth en Adriana trouwden beide met ene Van Maasacker uit Huisseling. Zij woonden naast elkaar, eerst aan het Heuveleind en later aan de Hamstraat. Deze zusjes Van Rooij overleden in 1885. Johannes’ grootouders waren Michaël van Rooij uit Dennenburg en Adriana Bosch uit Huisseling. Na hun huwelijk in 1772 gingen ze in Huisseling wonen.

Onderwijzersstudie en overgang naar het protestantisme

Johannes Cornelis was vroom aangelegd. Omdat hij goed kon zingen mocht hij koorknaap worden. Overlangel viel tot 1854 nog onder de parochie Herpen, maar beschikte wel over een kapel, toegewijd aan Sint Antonius. De familie Van Rooij-Kuijpers woonde pal tegenover deze kapel. Het dorp lag toen nog aan de Maas, het had een haven en een scheepswerf en was door de handel een welvarend dorp. Toen in de tweede helft van de 19e eeuw de zeilschepen werden vervangen door stoomboten deden niet veel schepen Overlangel nog aan en was het met de handel goeddeels gedaan. Wat Johannes Cornelis vóór zijn studietijd gedaan heeft valt slechts te gissen. Mogelijk heeft hij thuis of bij zijn broer met het boerenwerk geholpen. Maar daar ging zijn interesse niet naar uit. Hij was leergierig en wilde graag onderwijzer worden. De weduwe Van Rooij kon zich geen dure opleiding permitteren. Op 18-jarige leeftijd kon hij toch aan een onderwijzersopleiding beginnen. In het naburige Ravenstein, aan de Wal, woonde een zeer bekwame onderwijzer, Mattheus Quik, die jongens opleidde tot onderwijzer. De uit Hedel afkomstige Quik was bereid om Johannes les te geven. Meester Quik was weliswaar hervormd, maar er werd afgesproken dat Johannes geen Bijbelonderwijs zou krijgen.

Later, in 1870, schrijft Quik over hem: ‘Toen ik nog te R. werkzaam was onder Gereformeerden, Roomschen en Joden, werd mij verzocht een jonge man op te nemen van ruim 18 jaren, een streng, regtvaardig Romanist (rooms- katholiek persoon), om hem te bekwamen voor het onderwijs. Hij was droog en dor naar lichaam en ziel, en ’t ging moeijelik om er wat vlugs van te maken. Hij zat doorgaans achter mij of ter zijde en ik animeerde hem zoveel ik kon, doch ’t scheen vruchteloos’. Johannes moest wel meeluisteren als Quik godsdienstige gesprekken met zijn andere leerlingen voerde en raakte zeer onder de indruk. Tenslotte kon hij de verleiding om zelf de Bijbel te lezen niet langer weerstaan. Hij bleef in het schoolvertrek achter en haalde de bijbel van meneer Quik uit diens lessenaar. Na lang twijfelen bezweek hij, maakte het boek open en begon te lezen. Toen Quik hem daarbij betrapte schrok hij, maar die stelde hem op zijn gemak: ‘Van Rooy wat ben ik blij, dit is het beste wat je kunt doen’.

Johannes was gedurende zes jaar leerling en hulponderwijzer. In die tijd veranderde hij geleidelijk van geloofsovertuiging en begon in gewetensnood te raken. Immers als hij bij zijn familie was probeerde hij zich als katholiek te gedragen, hij ontving de sacramenten en ging naar de mis. Hij wilde ook zijn familie niet teleurstellen, met wie hij, vooral met zijn moeder, een liefdevolle band had. De pastoor was huisvriend en die begon wel te merken dat de jonge man onder protestantse invloed stond. Deze houding heeft Johannes nog zo’n twee jaar volgehouden toen het keerpunt kwam. Het was in die tijd ook niet zo gemakkelijk om van Rome los te komen, ook omdat de kerkelijke ban dreigde. Alles bij elkaar duurde zijn geloofsstrijd wel tien jaar. Op een dag was hij zover dat hij zijn familie na de mis bekende dat hij niet langer geloofde in de leer van Maria Onbevlekte Ontvangenis en dat hij tegen haar verering en tegen andere roomse leerstellingen was.

Anne van Rooy
Anne van Rooy (Holsters)

Hoewel zijn moeder stilletjes sympathie voor hem koesterde kon zij er niet in meegaan. Zijn zusters waren diep bedroefd. Zijn broer Machiel was zo woedend dat hij Johannes de toegang tot hun huis voortaan weigerde: ‘uit de kerk dan ook uit het huis!’. In 1852 is hem zelfs belet zijn stervende moeder te bezoeken. Met jeugdige overmoed ging Johannes her en der tegen de roomse ‘afgoderij en beeldendienst’ getuigen. Dat viel niet goed. Eens moest hij voor zijn leven vluchten en een andere keer moest de politie hem beschermen. Hij kreeg toen de raad om naar elders te vertrekken. Via Den Haag en Rotterdam kwam Johannes, intussen meester Van Rooij, in 1853 in Brussel terecht om les te geven aan de Hollandse school. Daar werd hij lidmaat van de Vlaams Evangelische Kerk. In Brussel leerde hij winkeljuffrouw Anna Françoise Holsters kennen, met wie hij in 1855 trouwde. Kort daarna verhuisde hij met zijn vrouw naar Den Bosch, waar hij onderwijzer werd aan de christelijke school. Persoonlijk contact met zijn familie was er helemaal niet meer. De familie Quik zorgde er wel voor dat Johannes nieuws van thuis doorkreeg, zelfs nog in Zuid-Afrika.

Naar Zuid-Afrika

In Den Bosch besluit hij gehoor te geven aan de oproep uit Zuid-Afrika waar men christelijke onderwijzers nodig had voor de ‘Boeren’ (Zuid-Afrikaners van Nederlandse afkomst). Op 24 oktober 1857 vertrekt hij met Anna en zoontje Henri. Hun tweede zoon werd op zee geboren. In Zuid-Afrika kwamen daar nog acht kinderen bij. Ondanks het feit dat hij een verstoteling was gaf hij zijn oudste zoon (Henri) en zijn oudste dochter (Claartje) respectievelijk de naam van opa en oma Van Rooij. Drie maanden later komen zij aan in de haven van Port Elizabeth. Van daar gaan ze per ‘ossewa’ (ossenwagen) naar Hantam, een reis van drie weken over stoffige wegen. Johannes kreeg een aanstelling als onderwijzer op zogenaamde buurtscholen. Een buurtschool werd, na hoogstens twee jaar, weer gesloten zodra men vond dat de kinderen ‘volleerd’ waren. Aldus werd Johannes 17 jaar lang, steeds voor korte tijd, van de ene school naar de andere gestuurd in verschillende plaatsen in de provincie Oost-Kaap. Een uitspraak van Joannes: ‘een goede onderwijzer moet geen geleerde blaaskaak zijn, maar iemand met voldoende kennis, ijverig, godvruchtig en vriendelijk, iemand die de kinderen niet met de lat bewerkt en hen voldoende speeltijd gunt’. Toen het gezin in Vriesfontein woonde had Johannes, met natte schoenen aan, kou gevat. Sindsdien leed hij aan astma en kreeg later ook nog reumatiek.

Het loon van meester Johannes was bescheiden en de inkomsten uit hun kleine veeboerderij vielen ook tegen. In 1874 wordt hij voor vast aangesteld aan een nieuwe school in Steynsburg, maar die moest een jaar later al weer sluiten door geldgebrek. Op 47-jarige leeftijd begint zijn vrouw daar een winkel, J.C. van Rooy & Kie, om de inkomsten wat aan te vullen. Johannes moet in Zuid-Afrika nog wel eens met weemoed aan zijn geboortestreek en zijn familie teruggedacht hebben. Zijn kinderen verhaalden dat hij voor hen nog wel eens de Latijnse kerkliederen van vroeger had gezongen en dat hij met aandoening verteld had hoe hij in de kerk neerknielde voor de beelden, vooral voor het beeld van de H. Maagd met het Kindje Jezus en tot tranen toe gebeden gepreveld had. Intussen ging de gezondheid van stamvader Johannes Cornelis achteruit. Hij overleed op 24 januari 1889 op 64-jarige leeftijd en zijn weduwe op 28 augustus 1904, beide te Steynsburg.

Nageslacht

Het gezin van Johannes Cornelis van Rooy woonde in de provincie Oost-Kaap, een deel van de Britse Kaapkolonie. De Britten wilden ook de macht in de Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat overnemen. De Boeren begonnen toen de Tweede Vrijheidsoorlog tegen de Britten. Na hun aanvankelijk succes moesten ze in 1900 het onderspit delven. De Boerenrepublieken kwamen onder Brits bestuur. Het bekende liedje ‘Sarie Marais’ is tijdens deze oorlog ontstaan. Vanwege hun rol in de vrijheidsoorlog werden Charles en Jan van Rooy na de oorlog berecht, maar werden door gebrek aan bewijs vrijgesproken. Via de winkel waren Mausergeweren aan de vrijheidsstrijders verkocht. De weduwe Van Rooy was met enkele kinderen naar Nederland uitgeweken en had onderweg alle belastende documenten in zee gegooid. Na de oorlog zijn ze teruggekeerd. De familie Van Rooy is in Zuid-Afrika enorm uitgedijd. Onder Johannes’ zonen waren boeren, politici, zakenlui en een predikant. Veel nakomelingen zijn in het onderwijs gegaan, waaronder zes professoren.

die 5 seuns van die stamouers
Die vyf seuns van Johannes en Anne van Rooy (Holsters)

Die eerste geslag Afrikaanse Van Rooys: die vyf waardige seuns van Johannes van Rooy en Anne Holsters. Links voor sit wyle oom Charl, op die seereis na Suid-Afrika gebore, boer, sakeman en politikus. In die middel sit wyle oom Henri, nog in Holland gebore, maar in sy nuwe vaderland het hy ‘n patriargale Boer geword. Heel regs sit wyle oom Jan, die eerste Van Rooy wat op Afrikaanse bodem gebore is. Hy was boer en politikus en later Senator. Links agter staan wyle oom Izak, versigtige en noukeurige sakeman, wat die «kapitalis» van die familie geword het. Regs agter is ds. Koos van Rooy, die jongste seun en enigste oorlewende kind van die stamouers. Ook hy was kortstondig in die politiek, hoofsaaklik ter bevordering van die onderwys. (Bron: van Rooy webwerf)

→ Terug na geskiedenis